Op deze pagina zullen wij zoveel mogelijk tips plaatsen die betrekking hebben op de theorie voor de bromfiets tm de Vakbekwaamheid ( CCV-B diploma).
Diverse korte regelingen
Voeren van verlichting
Welke verlichting moet gevoerd worden en welke verlichting mag gevoerd worden.
Art. 32 en 33: Verlichting bij het rijden.
Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets en een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, moeten dimlicht voeren bij:
- dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd;
- nacht.
Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling Voertuigen bedoelde lichten.
Het voeren van groot licht is toegestaan behalve bij:
- dag;
- tegenkomen van andere weggebruikers;
- op korte afstand volgen van een ander voertuig.
Achterlicht en de kentekenverlichting moet branden bij:
- groot licht,
- dimlicht,
- stadslicht of
- mislicht.
Art. 33 Verlichting aanhangwagens
Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht, achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en de in art. 5.12.51 en art. 5.13.51 van de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.
Het half uur voor zonsondergang en na zonsopkomst is dus vervallen. Binnen de bebouwde kom mag nu ook met groot licht worden gereden.
Bij het besluit van 27 mei 1999, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Besluit Administratieve Bepalingen inzake het Wegverkeer met betrekking tot de uitvoering van het Startprogramma Duurzaam Veilig (Stb. 268) is artikel 32 RVV 1990 aangevuld in die zin dat ook bestuurders van gehandicaptenvoertuigen verplicht zijn bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht te voeren.
Het argument voor deze aanvulling was dat gehandicaptenvoertuigen op grond van het Vtr moeten zijn voorzien van groot licht en dimlicht. Dit is echter niet helemaal correct. Het Vtr bevat die verplichting in artikel 5.10.51 alleen ten aanzien van gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor of een elektromotor en voorzien zijn van een gesloten carrosserie.
In artikel 5.18.43 regeling voertuigen wordt ten aanzien van gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een elektromotor en die niet zijn voorzien zijn van een gesloten carrosserie bepaald dat die moeten zijn voorzien van licht(en) en achterlicht(en). Verder is in artikel 5.1.5 regeling voertuigen bepaald dat gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie ook ten aanzien van de verlichting moeten voldoen aan de eisen die voor bromfietsen zijn gesteld. Tot slot zijn in het geheel geen verlichtingseisen gesteld aan gehandicaptenvoertuigen zonder motor.
Bovendien is de verplichting niet van toepassing op gehandicaptenvoertuigen die van het voetpad of het trottoir gebruik maken en die van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken. Het RVV 1990 ging daarmee in artikel 32 ten aanzien van bestuurders van een gehandicaptenvoertuig zonder noodzaak veel verder dan het regeling voertuigen.
Door de wijziging van artikel 32 RVV 1990 en artikel 5.1.5, tweede lid, regeling voertuigen is dit onnodige verschil gecorrigeerd. Uiteraard is het de bedoeling dat bestuurders van gehandicaptenvoertuigen bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd en bij nacht deze verlichting voeren. De verplichting om verlichting te voeren is daarbij niet beperkt tot weggedeelten bestemd voor voertuigen, maar geldt ook voor die weggedeelten waarop zich uitsluitend voetgangers bevinden, zoals bijvoorbeeld voetgangersgebieden in binnensteden en voetpaden in parken.
Art. 34: Gebruik mistlicht.
Bestuurders van motorvoertuigen en gehandicaptenvoertuigen mogen mistlicht aan de voorzijde voeren bij:
- mist
- sneeuwval
- regen,
die het zicht ernstig belemmert. In dat geval hoeven die bestuurders geen dimlicht te voeren.
De omstandigheid “die het zicht ernstig belemmert” geldt voor alle drie weertypen, dus zowel voor mist, sneeuwval en regen.
Het mistachterlicht mag gevoerd worden bij:
- mist
- sneeuwval
die het zicht tot een afstand van minder dan 50 meter beperkt.
Bij regen mag dus het mistachterlicht niet worden gebruikt, omdat dit onder die omstandigheid verblindend werkt. De omstandigheid “die het zicht tot een afstand enz.” geldt voor beide weertypen, dus zowel voor mist als sneeuwval.
Artikel 34, eerste lid, RVV 1990 staat het bestuurders van een motorvoertuig en van een gehandicaptenvoertuig toe bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mistlicht aan de voorzijde van het voertuig te voeren. Bij het voeren van mistlicht kan het voorkomen dat de bestuurder daarbij door de weerschijn van het eigen dimlicht wordt verblind. Daarom hoeft de bestuurder bij deze weersomstandigheden indien hij mistlicht aan de voorzijde van het voertuig voert, geen dimlicht te voeren.
Art. 35: Verlichting fietsers, wagen en gehandicaptenvoertuigen zonder motor.
- Fietsers voeren tijdens het rijden bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid.
- Een fiets op twee wielen en een fiets op drie wielen met één voorwiel moeten zijn voorzien van een wit of geel licht dat aan de voorzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst.
- Op een fiets op meer dan twee wielen met twee voorwielen moeten aan de voorzijde twee witte of twee gele symmetrisch links en rechts van het midden bevestigde lichten worden gevoerd.
- Een fiets moet zijn voorzien van een rood achterlicht dat aan de achterzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood licht voert op zijn rug.
- Een fiets mag zijn voorzien van twee ambergeel licht stralende richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde.
- Er mogen niet meer lichten worden gevoerd op een fiets, door de bestuurder daarvan of door een achter de bestuurder gezeten passagier dan de in het tweede tot en met vierde lid genoemde lichten.
Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat niet is uitgerust met een motor, worden verplicht bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht te voeren indien zij gebruik maken van de rijbaan, het fietspad of het fiets/bromfietspad. De verplichting is ingevoerd omdat het vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid wenselijk is deze bestuurders zichtbaar te maken voor de overige bestuurders op het fietspad en het fiets/bromfietspad.
Art. 35a: Eisen verlichting
- De in artikel 35 bedoelde verlichting mag andere weggebruikers niet verblinden.
- De in artikel 35 bedoelde verlichting mag niet knipperen.
- De in artikel 35 bedoelde verlichting moet:
- aan de voorzijde voortdurend zichtbaar zijn voor tegemoetkomende weggebruikers;
- aan de achterzijde voortdurend zichtbaar zijn voor van achteren naderende weggebruikers.
Artikel 35b
- Bestuurders van een wagen voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht dimlicht en achterlicht.
- Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat niet is uitgerust met een motor, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht indien zij gebruik maken van de rijbaan, het fietspad of het fiets-/bromfietspad.
Art. 36: Verlichting ruiters en begeleiders van vee.
Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee moeten bij:
- dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd
- nacht
een lantaarn meevoeren met naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht.
Art. 37: Verlichting colonnes.
Door voetgangers gevormde colonnes en optochten moeten buiten de bebouwde kom bij:
- dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd
- nacht
aan de linkervoorzijde wit of geel licht voeren en aan de achterzijde rood licht.
Beide lichten moeten naar alle richtingen uitstralen.
Binnen de kom geldt deze regel niet vanwege voldoende straatverlichting.
Art. 38, 39 en 40: Verlichting stilstaande voertuigen
Bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen die buiten de bebouwde kom stilstaan op:
- de rijbaan
- langs auto(snel)wegen gelegen
- parkeerplaatsen
- parkeerhavens
- vluchtstroken
- vluchthavens
moeten bij:
- dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd
- nacht
stadslicht en achterlicht voeren.
Art. 39
Stilstaande aanhangwagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.
Art. 40
Stilstaande wagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren..
Binnen de kom gelden deze regels niet vanwege voldoende straatverlichting en de lagere snelheid waarmee wordt gereden.
Art. 41: Bijzondere lichten
- Onverminderd artikel 32, eerste lid, mogen bestuurders van een motorvoertuig bij dag dagrijlicht voeren. Het dagrijlicht wordt niet tegelijk met enig ander licht aan de voorzijde van het voertuig gevoerd.
- Bestuurders van een motorvoertuig mogen tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bermlicht, bochtlicht, hoeklicht, richtlicht, markeringslichten of staaklichten voeren.
Bij het voeren van groot licht mag alle verlichting al gevoerd worden. Dit hoeft hier dus niet genoemd te worden.
Bij het besluit van 31 augustus 1999, houdende wijziging van het Voertuigreglement met betrekking tot verlichting (Stb. 394) is artikel 5.2.57 van het Vtr gewijzigd in die zin dat personenauto’s mogen zijn voorzien van dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG (PbEG 27 september 1976, L 262). Daarbij is over het hoofd gezien ook het RVV 1990 dienovereenkomstig te wijzigen.
De betrokken wijziging van artikel 41, eerste lid, RVV 1990 heeft deze omissie hersteld. Hierbij wordt opgemerkt dat de dagrijlichten alleen bij dag mogen worden gevoerd. Bij schemer, duisternis, slecht zicht overdag en in tunnels moet in plaats van het dagrijlicht het dimlicht worden gevoerd.
Artikel 41a: Verlichte transparanten
- Verlichte transparanten die informatie bieden over de bestemming of het gebruik van het voertuig mogen worden gevoerd door:
- personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen:
- in gebruik bij de politie;
- in gebruik bij de brandweer;
- in gebruik bij pechhulpdiensten;
- in gebruik bij Rijkswaterstaat;
- die worden gebruikt door artsen;
- die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggenvan een rijproef;
- die worden gebruikt door ambulancediensten waaraan krachtens de Wet ambulancevervoer een vergunning is verleend voor het verrichten van ambulancevervoer;
- van hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van óf een centrale post als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambulancevervoer óf een centrale post voor het ambulancevervoer als bedoeld in artikel 4, eerst lid, onder a, van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, bezig houden met het verlenen van eerstelijns spoedeisende hulpverlening;
- autobussen van openbaar vervoerdiensten;
- bedrijfsauto’s van transportbegeleiders;
- personen- en bedrijfsauto’s ingericht als dierenambulance;
- taxi’s.
- personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen:
- Personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef mogen slechts zijn voorzien van een verlicht transparant die de ingevolgde het Reglement rijbewijzen voorgeschreven letter «L» weergeeft.
- Onverminderd het eerste lid mogen:
- verlichte transparanten die worden gevoerd door de voertuigen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4° en onderdeel c, aanwijzingen weergeven voor het overige wegverkeer,
- taxi’s zijn voorzien van verlichte transparanten die de volgende informatie weergeven:
- tarieven;
- naam van het taxibedrijf; en
- telefoonnummer van het taxibedrijf.
- Taxi’s die zijn voorzien van verlichte transparanten die tarieven weergeven, mogen deze verlichting slechts voeren wanneer zij zich op een taxistandplaats bevinden.
- Verlichte transparanten worden niet gevoerd door andere voertuigen dan genoemd in het eerste lid en worden niet gevoerd op een andere wijze dan bepaald in het eerste tot en met vierde lid.
Bron: infopolitie.nl
Art. 50: Voorrangsvoertuigen.
Weggebruikers moeten bestuurders van voorrangsvoertuigen voor laten gaan.
Ook voertuigen die ten onrechte de signalen voeren zijn voorrangsvoertuigen. Degene, die deze signalen onterecht voert, is wel strafbaar, maar de weggebruikers hoeven zich niet het hoofd te breken of het gebruik van de signalen nu wel of niet terecht is. Als de signalen worden gebruikt, is het automatisch een voorrangsvoertuig.
Art. 51: Loslopend vee
Het is verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.
Uitzondering: wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen.
- Pluimvee is geen vee.
- Doordat de term “laten lopen” is gebruikt, is de eigenaar/houder of verzorger verantwoordelijk.
Art 52: In- en uitstappende passagiers
Bestuurders die een stilstaande tram of autobus willen voorbijrijden aan de zijde waar passagiers in- en uitstappen, moeten aan hen daartoe gelegenheid geven.
Hier gaan de voetgangers eerst.
Voetgangers moeten wachten maar wees voorzichtig met het passeren.Houd rekening dat de voetgangers alsnog oversteken.
Hierbij moet gedacht worden aan de situatie van een rijbaan, een bushalte en daarnaast een fietspad. De fietser zal dan bij het uitstappen van passagiers gelegenheid moeten geven.
Art. 53: Slepen
Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.
De vlag tussen beide voertuigen is vervallen.
Tevens is het verboden om met een motorfiets een ander motorvoertuig te slepen.
Art. 54: Bijzondere manoeuvres
Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals:
- wegrijden;
- achteruitrijden;
- uit een uitrit de weg oprijden;
- van een weg een inrit oprijden;
- keren;
- van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden;
- van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en
- van rijstrook wisselen,
moeten het overige verkeer voor laten gaan.
- Deze regel geldt voor alle bestuurders, dus ook voor fietsers.
- Degene, die op het punt staat weg te rijden, is bestuurder (uitspraak Hoge Raad)
Art. 55: Richting aangeven
Bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer/arm geven, indien:
- zij willen wegrijden;
- zij andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen;
- zij de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten;
- zij van rijstrook willen wisselen
alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.
- Geldt alleen voor bestuurders van motorvoertuigen.
- Er is niet beschreven wanneer het teken mag/moet beginnen en wanneer deze mag/moet eindigen. Dit valt onder de rij-instructie.
Artikel 56: Gelegenheid geven aan buschauffeur.
Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt.- Dit geldt niet voor de rijdende militaire colonne en een uitvaartstoet van motorvoertuigen.
- Een touringcar moet ook de gelegenheid worden geboden om in te voegen.
- De bestuurder van een autobus heeft wel de verplichting om het andere verkeer voor te laten tot hem gelegenheid wordt geboden. Deze verplichting valt namelijk onder de regeling van artikel 54. (zie hierboven)
Art. 57: Onnodig geluid
Bromfietsers, snorfietsers en bestuurders van een motorvoertuig mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.
Onnodig geluid veroorzaken is:
- toeteren na afloop van een feestje,
- rondjes rijden op de bromfiets bij een verzamelplaats van jeugd,
- tijdens het stilstaan voor de verkeerslichten telkens gas geven enz. enz.
Art. 58: Gevarendriehoek
- Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat voor naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt.
- De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert.
- Lid 1 geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.

- Wanneer alarmlichten worden gevoerd, mag de gevarendriehoek achterwege blijven.
Zitplaatsen en Autogordels
Bron: infopolitie.nl
Artikel 58a Zitplaatsen
- Tijdens deelname aan het verkeer worden passagiers alleen vervoerd indien zij zijn gezeten op zitplaatsen.
- Het eerste lid is niet van toepassing op:
- staande passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan;
- passagiers van autobussen zonder staanplaatsen bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet;
- passagiers die worden vervoerd overeenkomstig artikel 61b, tweede lid, onderdelen a, b en d;
- passagiers, jonger dan 3 jaar, in autobussen;
- passagiers jonger dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter die gebruik maken van een voor deze passagiers geschikte zitgelegenheid die deel uitmaakt van de constructie van het voertuig, hierin deugdelijk is bevestigd en is voorzien van autogordels;
- het vervoer van passagiers die gebruik maken van een rolstoel als bedoeld in artikel 59, vierde lid;
- het vervoer van één persoon van 8 jaar of ouder op de bagagedrager door fietsers met uitzondering van snorfietsers.
- passagiers die gebruik maken van een ligplaats, indien op één ligplaats ten hoogste één passagier is gelegen.
- In afwijking van het eerste lid worden op fietsen en bromfietsen passagiers jonger dan 8 jaar alleen vervoerd indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige voorziening met voldoende steun voor rug, handen en voeten.
- Het is bestuurders verboden passagiers te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.
Deze bepaling maakt expliciet dat passagiers dienen te worden vervoerd op zitplaatsen die voor dat doel zijn geconstrueerd en derhalve niet op geïmproviseerde zitplaatsen of zitplaatsen voor gebruik tijdens stilstand, zoals bijvoorbeeld zithoeken van kampeerauto’s. Deze verplichting is opgenomen uit een oogpunt van de bescherming van passagiers. Aan zitplaatsen en de constructie daarvan worden immers eisen gesteld.
Ook voor het gebruik van zitplaatsen gelden verplichtingen ter bescherming van passagiers. Het betreft met name het gebruik van autogordels en kinderbeschermingsmiddelen. Deze verplichting geldt niet waar deze niet zinvol is, dan wel niet kan worden gehandhaafd: in autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan en bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet in autobussen zonder staanplaatsen.
Verder geldt de verplichting niet in het geval dat in de auto extra zitplaatsen voor kinderen zijn aangebracht. Dit gebeurt met name in stationcars. Deze zitplaatsen voldoen niet aan de definitie van «zitplaats» in artikel 1, onderdeel ar, RVV 1990. Het tweede lid, onderdeel b, maakt het gebruik van deze zitplaatsen voor kinderen door kinderen mogelijk, mits de zitplaats speciaal voor hen geschikt is, de zitplaats deel uitmaakt van de constructie van het voertuig, deze deugdelijk is bevestigd en van autogordels is voorzien.
Ook geldt de verplichting niet voor het vervoer van passagiers in een rolstoel, mits dit vervoer plaatsvindt overeenkomstig de eisen, genoemd in artikel 59, vierde lid, RVV 1990.
De verplichting geldt tenslotte evenmin ten aanzien van het vervoer van personen op de bagagedrager van een fiets. Het betreft hier uitdrukkelijk alleen het vervoer op de fiets. Het is bestuurders van een snorfiets niet toegestaan personen op de bagagedrager van een snorfiets te vervoeren.
Tenslotte geldt de verplichting niet in de gevallen waarin het vervoer van personen in een laadruimte en in of op een aanhangwagen is toegestaan krachtens artikel 61b, onderdelen a, b en d, RVV 1990. Met het oog op de inrichting van voertuigen die worden gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, valt artikel 58a ook buiten de opsomming van artikelen uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die van toepassing worden verklaard in het koninklijk besluit van 15 december 1994, houdende uitvoering van artikel 4, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 inzake verkeersvoorschriften voor het militaire verkeer in gewone omstandigheden
Artikel 59: Autogordels
- Bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaren en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de wet. Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn.
- Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaren en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaren met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.
- Passagiers die jonger zijn dan 18 jaren, worden niet in een naar achteren gericht kinderzitje op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.
- Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, tenzij gebruik gemaakt wordt van een door Onze Minister aangewezen constructie.
- Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens taxivervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000. In voertuigen gebruikt voor taxivervoer waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaren en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.
- Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 84, tweede lid, van die wet, of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de eisen gesteld ingevolge artikel 80, derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000.
- De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaren en ouder en personen onder de 18 jaren die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, mogen zonodig een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen.
- Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaren en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.
- Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.
Sinds 1 maart 2006 gold voor bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers dat zij gebruik maken van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers, jonger dan 18 jaren en kleiner dan 1,35 m, moeten gebruik maken van een voor hen geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligingsmiddel.
De eisen gebruik te maken van een autogordel of een kinderbeveiligingsmiddel golden dus ook voor motorvoertuigen als land- en bosbouwtrekkers en motorfietsen, al dan niet met zijspan. Dat was echter niet zinvol, omdat daarin of –op niet een autogordel of kinderbeveiligingsmiddel adequaat kan worden bevestigd.
Door de wijziging van 1 april 2008 gelden deze eisen voor bestuurders en passagiers van personenauto’s, bedrijfsauto’s, driewielige motorvoertuigen met gesloten carrosserie en brommobielen, en niet voor bestuurders en passagiers van andere motorvoertuigen en bromfietsen.
Artikel 59a
- In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid, gebruiken bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaren of ouder de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer.
- Passagiers van een autobus die in beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren:
- door de bestuurder, de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon;
- door audiovisuele middelen;
- door opschriften of het volgende pictogram.
Het pictogram wordt bij gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht.
- In afwijking van artikel 59a, eerste lid, behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen beveiligingssysteem te gebruiken.Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.
- Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.
- Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.
- Artikel 59b
- In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid, mag anders dan op de voorste zitplaatsen in personenauto’s en bestelauto’s, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een autogordel gebruikt. Artikel 59, zevende lid, is van toepassing.
- In afwijking van artikel 59, eerste lid, tweede volzin, en achtste lid, mogen in incidentele gevallen en over korte afstand in personenauto’s en bestelauto’s op andere dan de voorste zitplaatsen passagiers die 3 jaar of ouder zijn en met een lengte van minder dan 1,35 meter worden vervoerd wanneer deze passagiers een autogordel gebruiken. Dit geldt niet met betrekking tot passagiers waarvan een ouder de auto bestuurt dan wel daarvan eigenaar of houder is.
Bron: infopolitie.nl
art. 19: Afstand houden
De bestuurder moet in staat zijn het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.
Hiermee wordt uiteraard het bumperkleven mee bedoeld. Een groot deel van de aanrijdingen is te wijten aan de overtreding van deze regel. Men rijdt te kort achter elkaar aan. Een goede vuistregel is de helft van de gereden snelheid, maar dan in meters.
Oftewel, bij 90 km/h moet de onderlinge afstand minimaal 45 meter zijn. Uitgaande van een reactietijd van 1 seconde heeft een bestuurder bij 90 km/h al 25 meter nodig voordat hij de voet op het rempedaal heeft staan.
Indien een auto dus binnen die afstand achter de voorligger rijdt, is een aanrijding bij een evt. noodstop van de voorligger onvermijdelijk.
art. 20: Binnen bebouwde kom
Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:
- Voor motorvoertuigen: 50 km/h
- voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:
1. op het fietspad of het fiets/bromfietspad 30 km per uur;
2. op de rijbaan 45 km per uur; - voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.
Door middel van borden kunnen afwijkende snelheden worden aangegeven. Bijvoorbeeld in 30 km/h gebieden of op in- en uitvalswegen van autosnelwegen of op ringwegen etc.
art. 21: Buiten bebouwde kom
Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:
- Motorvoertuigen op autosnelwegen: 120 km/h
- Motorvoertuigen op autowegen: 100 km/h
- Motorvoertuigen op andere wegen: 80 km/h
- Bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:
1. op het fietspad of het fiets/bromfietspad 40 km per uur;
2. op de rijbaan 45 km per uur; - Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.
In artikel 20 en 21 RVV 1990 is de maximumsnelheid van de bromfiets geregeld. Voorheen was de maximumsnelheid van de bromfiets 30 km per uur binnen de bebouwde kom en 40 km per uur daarbuiten. Directe aanleiding voor de wijziging van het snelheidsregime van de bromfiets is geweest dat de bromfiets sinds enige tijd op de meeste laatsen binnen de bebouwde kom op de rijbaan moet rijden in plaats van op het fietspad.
Door het verhogen van de maximumsnelheid van de bromfiets op de rijbaan tot 45 km per uur zijn de snelheidsverschillen tussen bromfietsers en het autoverkeer op de rijbaan zowel binnen als buiten de bebouwde kom verkleind, hetgeen de veiligheid en de doorstroming van het verkeer ten goede komt.
Bromfietsers die op de rijbaan beter kunnen meekomen met het autoverkeer rijden meer tússen de auto’s dan rechts ervan, waardoor minder aanrijdingen plaatsvinden tussen rechtsafslaande auto’s en rechtdoorgaande bromfietsers.
Ditzelfde speelt uiteraard op wegen zonder fietspaden. Waar een lagere algemene snelheidslimiet van toepassing is (bijvoorbeeld in 30 km-gebieden), geldt deze limiet vanzelfsprekend ook voor de bromfiets.
De maximumsnelheid van 45 km per uur op de rijbaan is gelijk aan de constructiesnelheid van de bromfiets en ook gelijk aan de maximumsnelheid die reeds voor brommobielen geldt. De maximumsnelheid van de bromfiets op het fiets/bromfietspad is 30 km per uur binnen de bebouwde kom en 40 km per uur buiten de bebouwde kom.
Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat waar de bromfiets zich op het gebied bevindt dat bij uitstek voor langzaam verkeer is bedoeld, uit overwegingen van verkeersveiligheid een verhoging van de snelheidslimiet niet aan de orde is geweest. De maximumsnelheid van gehandicaptenvoertuigen op de rijbaan, die in het RVV 1990 hetzelfde snelheidsregime kennen als de bromfiets, is op dezelfde manier gewijzigd.
Artikel 7 RVV 1990 staat het bestuurders van een gehandicaptenvoertuig toe het trottoir en het voetpad te gebruiken. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat is uitgerust met een motor, kunnen daarmee snelheden bereiken die de snelheid van voetgangers ver te boven gaan.
Daardoor kunnen op het trottoir en het voetpad gemakkelijk situaties ontstaan die vooral voor voetgangers tot letsel kunnen leiden. Omdat dit vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is, mogen ingevolge het toegevoegde onderdeel c in artikel 20 RVV 1990 bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat is uitgerust met en motor, op het trottoir en het voetpad niet sneller rijden dan 6 km per uur. Die snelheid komt overeen met de gemiddelde snelheid van een voetganger.
Op matrixborden vermelde snelheden zijn geen adviessnelheid meer, maar geven de maximum te rijden snelheid aan.
art. 22: Andere snelheden
- Voor zover niet ingevolge andere artikelen een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:
- voor kampeerwagens als bedoeld in artikel 1.1. van de Regeling voertuigen en waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen 80 km per uur;
- voor motorvoertuigen met aanhangwagen, 80 km per uur;
- voor landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen 25 km per uur;
- voor brommobielen 45 km per uur;
- voor snorfietsen 25 km per uur.
- In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, geldt voor andere motorvoertuigen dan bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, die een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen op autowegen en autosnelwegen een maximumsnelheid van 90 km per uur.
De maximum snelheid voor tractoren was altijd 16 km/h, nu mogen ze 25 km/h. Per 1 mei 2009 mogen voertuigen met een lichte aanhangwagen (minder dan 3500 kilo) en lichte kampeeraagens (onder 3500 kilo) 90 km/h op de auto(snel)weg.
Artikel 22a: T100-bus
Voor zover niet ingevolge andere artikelen een lagere maximumsnelheid geldt, geldt voor T100-bussen een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.
In de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheid was ten aanzien van de maximumsnelheid van T100-bussen op autowegen. Door middel van de wijziging van artikel 22, onderdeel a, RVV 1990 in samenhang met artikel 22a RVV 1990 is verduidelijkt dat de maximumsnelheid van T100-bussen op autowegen net zo hoog is als die op autosnelwegen, te weten 100 km per uur.
Samenvatting:




